De denkbeelden van de Boerenpartij zal ik aan de hand van mijn vastgestelde criteria over extreem-rechts doornemen. Maar eerst wil ik aantonen dat de BP in elk geval een rechtse partij, volgens het criterium van Nooij. En vervolgens wil ik eerst nog een aantal terugkerende denkbeelden van de partij, die niet onder de criteria vallen, kort benoemen.
Nooij geeft aan dat een linkse partij van een rechtse te onderscheiden is door de manier waarop de partij aankijkt tegen het sociaal-economische vraagstuk. Als de balans doorslaat binnen een partij dat zij collectief eigendom prefereert boven particulier eigendom, de rol van de overheid waardeert als regulerende instantie in het economische leven en uiterst positief staat tegenover de verzorgingsstaat, dan kun je spreken van een linkse partij. Vanuit die criteria is de Boerenpartij allerminst links te noemen. De partij hecht enorm waarde aan particuliere eigendom, want die moet volgens de BP de materiële basis voor de onafhankelijkheid van de burger leveren. De Boerenpartij is tegen subsidieverlening en de overheid moet zich, als dat niet noodzakelijk is, niet bemoeien met de volkshuisvesting. Ook de verzorgingsstaat wordt afgewezen, ‘omdat zij de persoonlijke verantwoordelijkheid aantast, de staat tot een al-verzekeraar maakt en daarmee de burgers in een van hem afhankelijke positie brengt’, aldus het beginselprogramma.
Nooij concludeert in zijn onderzoek zelf ook dat de Boerenpartij als rechts gekwalificeerd kan worden. Mede omdat de uitdrukkelijke verdediging van de troon, altaar en strijdkrachten in het beginselprogramma in diezelfde richting wijzen.
Wat niet bij mijn criteria over extreem-rechts is opgenomen, maar wat de Boerenpartij wel nadrukkelijk uitdraagt, is ‘Gods soevereiniteit’. Dit wordt behandeld in het eerste artikel van het beginselprogramma. Op dit punt behoort de BP tot de reformatorisch-confessionele stroming in de Nederlandse politiek, samen met de GSV, SGP, ARP en CHU.
Daarnaast hebben de boerenthema’s een belangrijk aandeel binnen de politieke ideeën van de partij. In het beginselprogramma gaat vijftien procent van de punten over boerenthema’s. Overigens concludeert De Groot naar aanleiding van zijn onderzoek De Boerenpartij: Boerenpartij of algemene protestpartij? Dat tussen 1963 en 1967, als de populariteit van de partij toeneemt, de BP een ideologische verandering ondergaat. Er is minder aandacht voor boerenthema’s en meer voor de sociaal-economische toestand. Hiervoor zijn twee mogelijke oorzaken aan te wijzen. Ten eerste vinden er interne veranderingen plaats binnen de partij, doordat vanwege het succes de BP veel nieuwe leden heeft gekregen. Ten tweede, de BP wil met een breder programma een breder publiek aantrekken. De Groot vindt echter zelf dat deze oorzaken moeilijk te bewijzen zijn.
Dan nu de zes criteria die ik in paragraaf 2.2 heb vastgesteld.
A. Nationalisme.
In het beginselprogramma blijkt dat de Boerenpartij op het gebied van buitenlandse politiek sterk nationalistisch is. De BP is tegen bovennationale politiek. Zij wenst geen vergaande samenwerking in de EG, want dat zou een gevaar op kunnen leveren voor het eigen karakter van Nederland en tot het verlies van ‘onvervreemdbare nationale waarden’ kunnen leiden. De BP maakt zich daarentegen wel sterk voor samenwerking met de kleine Noordzeestaten en de NAVO. In het beginselprogramma komt verder naar voren dat de Boerenpartij een voorstander is van een krachtig nationaal defensie-apparaat, dat zich ‘met uiterste middelen kan weren tegen aanvallen van buitenaf.’
Van Donselaar merkt deze nationalistische geluiden op, maar vraagt zich af of deze ideeën van de BP ‘hard’ genoeg zijn om het tot rechts-extremisme te bestempelen. Ook buiten extreem-rechtse kring zijn dergelijke opvattingen bekend, stelt hij. Ik ben het hier gedeeltelijk eens met Van Donselaar. De BP kan niet alleen op dit nationalistische punt tot rechts-extremistisch bestempeld worden. Wel is het nationalisme onlosmakelijk verbonden met de extreem-rechtse stroming. Het is echter nauwelijks na te gaan hoeveel belang binnen de BP gehecht werd aan het nationalistische gedachtegoed. Dit laat zien dat de partij van Koekoek de nodige ‘vage contouren’ bevat, zoals Van Donselaar het noemt. Bij de volgende punten zal het beeld van een partij met vage contouren vaker opdoemen.
B. Racisme.
De Boerenpartij heeft zich altijd gekeerd tegen de werving en later de aanwezigheid van buitenlandse werknemers, oftewel gastarbeiders. In tegenstelling tot de nationalistische ideeën is op dit punt wel exclusiviteit in Nederland. De BP was in de jaren zestig namelijk de enige partij die deze mening heeft verwoord. Hierbij moet wel aangetekend worden dat dit onderwerp geen hoge prioriteit had.
Veenstra gaat ervan uit dat Koekoeks standpunt tegenover gastarbeiders voortkwam uit zijn ‘gebruikelijke motief’: geld. De buitenlanders brachten hoge kosten, van bijvoorbeeld vervoer naar Nederland, met zich mee en de uitkeringen van het toenemende aantal werklozen kostten eveneens veel geld. De meest eenvoudige oplossing was dus dat de gastarbeiders terugkeerden naar vaderland en dat Nederlandse werklozen hun plaats in het arbeidsproces innamen. Veenstra is van mening dat de partij geen racistische motieven had, in de zin van afkeer tegen buitenlanders. Eerder is dit standpunt voortgekomen uit de sterk nationalistische inslag van de partij.De Nederlandse arbeiders waren de eerste zorg van de partij, vóór de buitenlandse.
Nu moet naar mijn mening ook rekening gehouden worden met de situatie in Nederland in de jaren zestig betreffende immigranten. Het aantal gastarbeiders nam in de loop der jaren snel toe en in 1975 werd de werving van deze buitenlandse werknemers stopgezet. In de jaren zeventig is pas werkelijk zichtbaar dat er onder een deel van de bevolking onvrede bestaat over de aanwezigheid van gastarbeiders. Er doet een verschijnsel zijn intrede dat sindsdien ononderbroken in de Nederlandse politiek zal blijven bestaan: racistisch protest tegen de aanwezigheid van etnische minderheden. Dit uit zich eerst in de opkomst van de Nederlandse Volk-Unie (NVU) en later de Centrumpartij en de Centrumdemocraten. Hier zal ik later dieper op ingaan.
Uit twee artikelen uit opiniebladen in het begin van de jaren tachtig, als de BP in het slop zit, laat Koekoek zich uit over de opkomst van de Centrumpartij. Hierbij doet hij ook interessante uitspraken over immigranten. Zo claimt hij in het blad De Tijd in 1983, twee jaar na het einde van de BP, het initiatief te hebben genomen tot de kruistocht tegen buitenlandse werknemers. ‘Ik riep niet alleen dat ze weg moesten, ik riep al dat ze helemaal niet moesten komen.’ Net als de media destijds maakt hij zelf ook de connectie tussen de Boerenpartij en de extreem-rechtse Centrumpartij: ‘Nu zijn ze ons kwijt en hebben ze de Centrumpartij gekregen. Want voor wat je wegscheldt krijg je altijd iets ergers terug. En nu zouden ze het liefst zo snel mogelijk ruilen. Nou, ik gun ze Janmaat, laat ze maar lekker met ‘m in hun maag zitten. Als ze echt van de narigheid afwillen is er maar één oplossing: een beleid voeren dat de ontevredenen tevreden maakt. Wat dat betreft verschil ik nauwelijks van mening met de Centrumpartij. De belasting terug naar de helft en de buitenlanders naar huis.’
In 1980 zit de BP aan de grond, maar doet nog wel mee aan de verkiezingen. In het tijdschrift Nieuwsnet heeft Koekoek het over de ‘problematiek van de Surinamers.’ Hij wordt geciteerd: ‘Versta me goed, wij hebben geen enkel bezwaar tegen Surinamers, maar die mensen horen hier niet, want daar hebben onze arbeiders geen premie voor betaald. Als de Surinamers naar Nederland blijven komen, dan loopt het helemaal uit de hand.’
Uit deze bevindingen komen opnieuw de ‘vage contouren’ van de partij naar voren. De BP neemt ten aanzien van gastarbeiders een standpunt in die als racistisch gezien kan worden, maar de partij kleedt het op zo’n manier aan dat er geen sprake is van denigrerende uitlatingen of erger over minderheden. Het is moeilijk te achterhalen hoe de partij er werkelijk over dacht.
Ik denk dat de Boerenpartij in wezen niet racistisch is, vooral omdat de anti-immigrantenpolitiek geen belangrijk onderdeel was van het gedachtegoed van de partij en vanwege het argument: geld. Toch valt niet te ontkennen dat de BP racistische neigingen had, zoals blijkt uit de uitspraken van Koekoek in de tijdschriftartikelen. De Boerenpartij balanceert hier op het randje.
C. Radicalisme.
Nooij concludeert in zijn onderzoek dat de Boerenpartij totaal vervreemd is van de bestaande politieke constellatie. Hij wijst op een verkiezingspamflet uit februari 1967 waar de volgende, veelzeggende zinsnede in voorkomt: ‘De gammele regeringswagen der vijf grote partijen is zonder remmen in tomeloze vaart uit de bocht gevlogen en tegen de door hen zelf gemaakte puinhopen der door hén verwoeste economie van ons land te pletter geslagen.’
Het moge duidelijk zijn, de BP treedt naar buiten met anti-gevestigde orde gevoelens. Daarmee is deze partij de eerste naoorlogse beweging die de onlusten betreffende ‘het bestel’ weet om te zetten in zetels. De afkeer van de gevestigde politiek wordt door de BP breed uitgemeten. Vaak wordt het geuit in bewoordingen als ‘leugen, laster, bedrog, onderdrukking en uitbuiting.’ De gebeurtenissen in Hollandscheveld in maart 1963 versterken het beeld dat de BP een protestpartij was.
Deze ‘anti-houding’ wordt nog eens krachtig neergezet doordat de Boerenpartij pleit voor vermindering van ambtenaren en kamerleden. Ook de salarissen van de kamerleden en ministers waren te hoog. Er moest kortom flink ingekrompen worden bij de overheid. Verwant hiermee staat de houding tegenover het omroepbestel. De BP was fel tegen dit bestel en bepleitte een open bestel.
Daar komt bij dat de BP republicanisme verwerpt in haar beginselprogramma. In het eerste artikel stelt de partij dat het ‘Koninkrijk der Nederlanden dient te worden geregeerd door het Huis van Oranje, drager der soevereiniteit.’
De Boerenpartij deed mee aan het democratische, politieke stelsel van Nederland door zich kiesbaar te stellen. De partij was zelf echter nauwelijks democratisch te noemen. Elke poging om de beweging te democratiseren werd door leider Koekoek van de hand gewezen. Volgens Honig van den Bossche (kamerlid van 1972 tot 1977) gingen alle gelden, ook de contributies, via het gironummer van Koekoek. ‘Daar was geen controle op’, aldus Honig van den Bossche in een artikel in NRC.
Hoewel de Boerenpartij zich dus radicaal opstelde, zijn er ook een extreem-rechtse standpunten waarin ze niet in meegaan. Dit is ook logisch want de punten zijn regelmatig tegenstrijdig te noemen. Zo is anti-individualisme niet aan de BP besteed, omdat dit indruist met hun ideeën over particulier eigendom. Ook over het anti-socialisme binnen de partij kan getwijfeld worden. Aan de ene kant wenste de BP geen overheidsbemoeienis door middel van vergaande sociale verzieningen, maar de partij heeft ook het imago op te komen voor de belangen van de kleine man. In het blad De Vrije Boer, een uitgave van de BP, wordt in een ingezonden brief van een gemeenteraadslid van de Boerenpartij geciteerd uit Grote macht in klein land, een communistisch boekje van F. Baruch.
Ook hier doemt weer de vraag op of het radicaal genoeg was. Van Donselaar zegt bijvoorbeeld over de jaren zeventig: ‘Van de magneetfunctie die de Boerenpartij ooit in het fascistische landschap vervulde, is weinig overgebleven. De partij valt terug op een kleine, trouwe aanhang, die Koekoek in de Tweede Kamer houdt.’ De komst van de NVU doet veel rechts-extremisten schijnbaar wegtrekken. Desondanks kom ik tot de conclusie dat de Boerenpartij zich in sterke mate radicaal opstelt. Met name de krachtige, oppositionele houding tegenover de bestaande politiek, het anti-republicanisme en het willen inkrimpen van het ambtenarenapparaat wijzen hierop.
D. Genealogische benaderingswijze.
Zoals in de alinea hierboven al even wordt aangegeven, speelt de genealogische benaderingswijze een belangrijke rol bij de Boerenpartij. Van Donselaar denkt dat veel oud-NSB’ers en SS’ers zich voelen aangetrokken door de Boerenpartij. Dit aantal is ongetwijfeld groter dan de aantallen aanhangers van eerdere extreem-rechtse groeperingen als de NESB (de naoorlogse NSB), de HINAG, Jan Hartman Stichting of Noordbond. Van Donselaar denkt dat dit komt omdat deze extremisten inzien dat een al te openlijke fascistische politiek niet tot de mogelijkheden behoort. Zo werd eerder al de NESB verboden. Ondanks de vage contouren van de BP hoopt men iets veelbelovends te ontwaren: een partij die als zij groter wordt zich van deze vage contouren kan ontdoen en die dan meer recht zal doen aan de idealen van weleer. Over het precieze aantal van deze groep kiezers valt weinig met zekerheid te zeggen. Wel staat vast dat zij binnen het BP-publiek een minderheid vormt.
Ook onder voor het kader en de top van de partij is er sprake van een minderheid van oud-fascisten. De belangrijkste personen die hier genoemd moeten worden zijn de heren Zeegers en Adams. De eerste zou ooit lid zijn geweest van de NSB en een belangrijke bijdrage geleverd hebben aan het beginselprogramma van de Boerenpartij. Hij verliet de partij overigens na redelijk korte tijd. Over het verleden van Adams is al het een en ander verteld in paragraaf 3.1.
Het onverwachte succes vanaf 1966 heeft er mede voor gezorgd dat er binnen de partij steeds meer personen kwamen met een ‘duister verleden’. Koekoek had te weinig kandidaten om alle zetels te bezetten in de gemeenteraden en moest met krantenadvertentie gegadigden zoeken. Het gevolg was dat nogal wat nieuwe raadsleden een dubieus oorlogsverleden hadden. Dit leidde een reactie binnen de partij. De Noodraad werd opgericht, die zich later afsplitst maar geen succes had.
Hoe groot het aantal oud-NSB’ers nu precies was is niet vast te stellen. Na de affaire Adams doen nog enkele personen afstand van hun zetel, nadat zij op eenzelfde manier in opspraak zijn gekomen. Het gaat hier om nog geen tien personen. Van Donselaar gaat ervan uit dat onder de 140 raadsleden die de BP had na de raadsverkiezingen van 1966, enkele tientallen oud=NSB’ers moeten zijn geweest.
Over de genealogische benaderingswijze ten overstaande van de Boerenpartij is het slechts naar aantallen gissen. Toch laten de voorbeelden van Zeegers, Adams en een aantal gemeenteraadsleden zien dat er een duidelijk aandeel is geweest van personen met een dubieus oorlogsverleden. Bovendien voelden veel oud-NSB’ers en SS’ers zich aangetrokken tot de partij. Dat Koekoek voor de oprichting van de partij meedeed aan de Nederlandse Oppositie Unie (zie paragraaf 3.1), waar ook een aantal extreem-rechtse partijen bij hoorden, is een teken aan de wand. De genealogische benaderingswijze maakt duidelijk dat er een verband moet zijn tussen rechts-extremisten en de Boerenpartij.
E. Populisme.
De Boerenpartij was uitermate populistisch. Het begon er al mee dat de boeren praatten met een vreemd accent. De typische ambtenarentaal was hun onvertrouwd en hun handelingen waren eerder emotioneel dan inhoudelijk. Koekoeks betogen ademden een afkeer van intellectualisme. De partijleden bespotten deskundigen, die ze emotionele en duidelijk verstaanbare kritiek leverde. In de necrologie van Koekoek in de Volkskrant werd geopperd dat de Boerenpartij wellicht de eerste ‘politieke show’ in Nederland was.
Dit populisme paste uitstekend bij de radicale, oppositionele opstelling van de partij. De BP voldoet kortom volledig aan het criterium. Wel moet hier gewezen worden op het punt dat populisme niet alleen is voorgehouden aan rechts-extremisme. Ook linkse radicalen gebruiken dit middel om hun ideeën te verwoorden. Zelfs niet-radicale partijen dienen zich zo nu en dan van populistisch gedrag.
F. Bauerntum-ideologie.
De Bauerntum-ideologie, wat inhoudt dat het plattelandsleven wordt verheerlijkt en aan de boerenstand bijzondere geestelijke waarden worden toegekend, is aanwezig bij de Boerenpartij. Deze ideologie heeft veel te maken met een conservatief traditionalisme, waarbij het verder gaat dan conservatisme. Men wil niet de status quo behouden, maar doorbreken en teruggaan in de tijd.
Hierbij dient te worden vermeld dat de SGP en GPV ook uiting hebben gegeven aan deze gedachten. Desalniettemin kan over dit laatste criterium gezegd worden dat de Boerenpartij deze ideologie aanhangt.
Aan het eind van deze lange paragraaf over de denkbeelden van de Boerenpartij wil ik nog even heel summier ingaan op de eigen gedachte die de partij had over zijn extreem-rechtse karakter. Volgens Van Donselaar heeft de partij zich altijd openlijk gedistantieerd van het rechts-extremisme en de vele beschuldigingen die zij hierover hebben gekregen. Van Donselaar schrijft: ‘De wijze waarop zij dit hebben gedaan varieert en loopt uiteen van verwijzingen naar het beginselprogramma (waarin inderdaad amper een onvertogen woord te bespeuren valt), het benadrukken van het ‘verzetsverleden’ van Koekoek zelf, tot beschuldigingen aan het adres van andere politieke groeperingen die ook oud-NSB’ers in hun gelederen zouden hebben.’
Dit hoeft mijn inziens niets te betekenen, een partij kan zijn ware gezicht natuurlijk gemakkelijk verbergen. Wel geeft het nog maar eens weer hoe vaag de contouren van de partij zijn. Zoals blijkt uit deze paragraaf baadde de BP in een ‘diffuse ideeënwereld’, naar de woorden van Van Donselaar.