Friday, July 28, 2006

2. Extreem-rechts, 2.1 Definiëring van wetenschappers

Extreem-rechts is een uiterst lastige term. Uit de doorgenomen literatuur blijkt dat iedere auteur worstelt met het definiëren van deze term. Hainsworth geeft in zijn bundel The extreme right in Europe and the USA al aan dat het onmogelijk is om een stramien te maken voor rechts-extremisme dat past bij elke beweging, denker of ideologie uit deze richting. Wie rechts-extremisme behandelt, moet rekening houden met de dimensionaliteit van extremisme. Extreem-rechts heeft een veelheid aan gezichten. Partijen van deze signatuur vallen veelal tussen de algemene, politieke categorieën door en proberen zich te gedragen als een gewone, fatsoenlijke partij.[1]
Van Donselaar schreef een proefschrift over fascistische en racistische organisaties in Nederland tussen 1950 en 1990. Hij maakt daarbij onderscheid tussen fascisme en extreem-rechts. Naar zijn mening zijn fascistische organisaties per definitie extreem-rechts, maar dat geldt niet voor het omgekeerde.[2] Ik houd me in dit werkstuk bij de term extreem-rechts en zal geen gebruik maken van het woord fascisme. Dit doe ik omdat er nauwelijks consensus over dit woord bestaat. Sommige wetenschappers zijn van mening dat fascisme uitsluitend toepasbaar is op de regimes van Hitler en Mussolini, anderen gebruiken het ook voor naoorlogse bewegingen. Ook vanwege de zwaarte van het woord wil ik het vermijden. Dit wordt sterk verwoord in het groot woordenboek van Van Dale door schrijfster Frida Balk-Smit Duyzentkunst: ‘Fascisme staat in ons taalbewustzijn voor alles wat gruwelijk is in de organisatie van de menselijke samenleving: geweld, onderdrukking, marteling, dood.’[3] Ik kies er voor om fascisme en extreem-rechts in dit onderzoek als één geheel te zien.

Van Donselaar geeft wel een aantal kenmerken van extreem-rechts, hoewel hij zich voorzichtig opstelt omdat volgens hem elk kenmerk weer een onderzoeksvraag oproept. In het kort stelt hij dat extreem-rechtse partijen vaak een duidelijke hang naar nationalisme hebben, een sterke oriëntatie op het eigene en een afkeer tegen het vreemde. Vaak is er ook sprake van anti-socialisme of anti-communisme en moet parlementaire democratie het ontgelden. Soms is het op grond van ideologie niet goed vast te stellen of er sprake is van extreem-rechts. Dan gaat het om organisaties met ‘vage contouren’. In dergelijke gevallen vindt Van Donselaar de vraag van belang in hoeverre een partij kracht uitoefent op personen die blijk geven van fascistische sympathieën (Van Donselaar gebruikt wel het woord fascisme, WCL). Ook is de vraag van belang in hoeverre deze personen door de organisatie worden gedoogd. Uit ervaring weet Van Donselaar dat deze figuren vaak van de ene organisatie in de andere terechtkomen. Op deze manier naar een partij kijken noemt hij een ‘genealogische benaderingswijze’.[4]
Tot slot heeft Van Donselaar het ook over de zogenaamde Bauerntum-ideologie. Deze ideologie komt er in het kort op neer dat het plattelandsleven wordt verheerlijkt en dat aan de boerenstand bijzondere geestelijke waarden worden toegekend. Al voor de Tweede Wereldoorlog was dit een bekend extreem-rechtse denkwijze.[5]

Terug naar Hainsworth. Hij ziet verschillende factoren van rechts-extremisme. Sleutelfactor is volgens hem toch wel de anti-immigrantenpolitiek. Daarnaast speelt ook nationalisme en nationaal-populisme een belangrijke rol in de extreem-rechtse denkwijze. Het gaat dan om nationale suprematie en heroïek, vaak met een messiaanse boodschap. Deze ideeën komen voort uit een gevoel van pessimisme over de bestaande situatie, vaak speelt werkeloosheid een rol, en ontevredenheid over de traditionele politieke partijen. [6]

Nooij begint in zijn onderzoek vooraan. Hij stelt eerst criteria samen om te komen tot een linkse of rechtse signatuur van een partij. Daarbij gaat het volgens hem vooral om de rol van de overheid binnen de samenleving. Hij stelt de volgende vragen: welke houding neemt de partij in tegenover particulier eigendom? Welke waardering heeft de partij voor de overheid als integraal machtssysteem in het economische proces? En: welke houding wordt aangenomen met betrekking tot de verzorgingstaat?[7]

Voor Nooij kenmerkt extremisme zich door desoriëntatie waardoor de partij een sterk oppositioneel karakter krijgt. Er is onrust vanwege de situatie en wantrouwen tegenover de gevestigde politieke partijen.[8] Dit sluit aan bij Hainsworth.
Von Beyme behandelt in een artikel extreem-rechts in naoorlogs Europa. Hij benadrukt in zijn verhaal het verschil tussen conservatisme en rechts-extremisme. Conservatieven willen volgens hem de status-quo behouden, terwijl rechts-extremisten dit willen doorbreken. Daarmee is extreem-rechts reactionair.[9]

Daarnaast noemt Van Beyme ook andere aspecten als etnocentrisme, anti-pluralisme (de idee van één waarheid, WCL), anti-individualisme en hyper-nationalisme. Bovendien wordt door extreem-rechts niet het bestaande politieke systeem geaccepteerd.[10]

Stouthuysen gaat in zijn bundel over extreem-rechts in naoorlogs Europa in op de literatuur die hij tot zich heeft genomen. Daarin heeft hij ontdekt dat er drie verschillende manieren zijn om rechts-extremisme te onderscheiden. Ten eerste, op basis van hoe partijen zichzelf op de links-rechts as plaatsen. Ten tweede, op basis van de ideologische en historische verwantschap met het fascisme. Ten derde, op basis van hun houding tegenover het politieke systeem.[11] Stouthuysen gebruikt in zijn boek de derde manier. Dit komt er op neer dat hij, op basis van een aantal kenmerken of aandachtsvelden die traditioneel tot de rechtse ideologische of politieke erfenis behoren, een ideaal-typische omschrijving maakt van extreem-rechtse houdingen tegenover het politieke systeem. Deze houdingen worden veelal negatief gedefinieerd: een antidemocratische ingesteldheid, anti-pluralisme, anti-individualisme, anti-parlementarisme, anti-communisme, anti-liberalisme. Ook behoren racisme, etnocentisme en ultra-nationalisme bij die ideaal-typische extreem-rechtse kenmerken.[12]


[1] Hainsworth, The Extreme Right in Europe and the USA (Londen 1992) 3

[2] Donselaar Van, Fout na de oorlog (Leiden 1991) 23

[3] Geerts, Vos, Van Dale (Utrecht/Antwerpen 1999) 946

[4] Donselaar Van, Fout na de oorlog (Leiden 1991) 22 - 23

[5] Donselaar Van, Fout na de oorlog (Leiden 1991) 125

[6] Hainsworth, The Extreme Right in Europe and the USA (Londen 1992) 7

[7] Nooij, De Boerenpartij (Meppel 1969) 43

[8] Nooij De Boerenpartij (Meppel 1969) 2

[9] Von Beyme, ‘Right-Wing Extremism in Post-War Europe’, West-European Politics 11-2 (april 1988) 2

[10] Von Beyme, Right-Wing Extremism in Post-War Europe’, West-European Politics 11-2 (april 1988) 1

[11] Stouthuysen, Extreem-rechts in naoorlogs Europa (Brussel 1993) 9

[12] Stouthuysen, Extreem-rechts in naoorlogs Europa (Brussel 1993) 11-12